Bert Frings exposeert van 25 oktober 2009 t/m 16 januari 2010 in het ladekastproject, vanaf 12 december 2009 t/m 16 januari 2010 ook in de projectenkamer souterrain.
Bert Frings, "Toltec", 2009, acrylverf, papier (collage), 0.64 x 1.06 m.
Bert Frings, "Dark Cloud", 2009, acrylverf, papier (collage), 0.60 x 0.84 m.
Bert Frings, "The Painter (M.E.)", 2009, acryl op doek, 1.40 x 2 m.
Christophe van Eecke, filosoof, over het werk van Bert Frings lees verderChristophe van Eecke, filosoof, over het werk van Bert Frings
DE TUINEN VAN MORPHEUS.
Over de Schilderijen van Bert Frings
Christophe Van Eecke
Toen Doornroosje zich prikte aan het spinnewiel viel ze in een honderdjarige slaap. Rond het kasteel waar ze lag te slapen groeide een ondoordringbaar bos van braamstruiken op. En alle ridders die door de struiken probeerden te dringen vonden de dood op de doornen.
De wereld van Bert Frings' schilderijen zit ingekapseld in een gelijkaardige wand van organisch prikkeldraad. Bert schildert abstracte landschappen in wonderlijk onnatuurlijke kleuren waar het oog zich door laat verleiden om er vervolgens pijnlijk op te pletter te lopen. Er ligt een vanzelfsprekende aantrekkelijkheid in zijn kleurgebruik, maar de compositie bruskeert de waarneming door haar weerbarstigheid. Berts landschappen zijn dan ook idylles met een angel, een droomwereld voor voze slapers.
***
Er zijn schilderijen waar het oog niet meer uit ontsnapt. Berts Dark Splash (2009) is zo¹n doek. De titel verwijst niet toevallig naar A Bigger Splash (1967) van David Hockney. De eerste visuele associatie die het doek oproept, is immers die van een zwembad. Maar het is de ruïne van een zwembad, een monument van vergane glorie. De muren lijken te zijn afgestroopt en leggen hun ingewanden bloot: een doorwrochte kronkeling van woekerende darmen waar hier en daar rechthoekige vlakken als betonblokken uit zijn weggeschraapt. De compositie wringt omdat de ruimtelijke verhoudingen verstoord zijn. Dark Splash is een aanzet tot een ruimte, maar tegelijk blijft die ruimte ontoegankelijk. De woekerende darmen zijn in elkaar verstrengeld als de ondoordringbare takken van een braamstruik waar geen doorkomen aan is. Hierdoor krijgt deze ziekelijk ogende organische wand een pulserende massiviteit. Ze is een grens in het schilderij waar men niet voorbij kan kijken. En op dat punt wordt de blik teruggeworpen op de materialiteit van het doek. De kronkelende darmen zijn in werkelijkheid namelijk verfbanen die Bert heeft gecreëerd door de verf met een compressor over het doek te jagen. Berts landschappen zijn begerige organismen. Het zijn ongebreideld productieve koralen die er uitzien alsof ze tijdens een geile bad trip bij elkaar werden gedroomd. Het zijn zwevende plaatsen, ruimtes zonder bodem, zonder boven of onder, waar het bewustzijn in een esthetische roes in ronddwaalt. Ze zijn de plaats van de droom, maar het is een droomwereld die door de kunstenaar wordt afgeschermd. Die afscherming gebeurt in de materialiteit van het werk. Het is de heftige geste van de met compressor gespoten banen, samen met de agressieve clash van onnatuurlijke kleuren en de loutere omvang van het doek, die het oog steeds weer terugduwt. Wie de doeken wil binnendringen, loopt verloren in het uit de haak getrokken perspectief van een Dark Splash of de richtingloze explosie van Mercer (2009), waar niets nog naar boven of onder verwijst. Berts verfbanen zijn een motief dat aansluit bij een symbolistische traditie. De dichtgegroeide braamstruik is bijvoorbeeld een centraal motief in het werk van Edward Burne-Jones, met name in zijn Briar Rose-reeks, waar het beeldvlak soms tot verstikkens toe wordt gevuld met een netwerk van dergelijke bloeddorstige planten. De wereld van Burne-Jones is door en door organisch, maar op een ziekelijke, perverse manier. Deze roofzuchtige natuur is een decadent en verstikkend biotoop dat werd ontwikkeld in een serre waar verwilderde planten wegteren in eigen vocht. De broeierige flora van wurgende stengels is een typisch element van het Symbolisme, waar de natuur vijandig en vreemd is. In Burne-Jones' Perseus Slaying the Sea Serpent (ca. 1875-77) klimt Perseus in een harnas van gebladerte tussen de glibberige kokers van een kronkelende slang om het beest de strot door te snijden. En in Love Leading the Pilgrim (1877-97) zien we hoe de pelgrim zich aan de hand van de Liefde aan een woekerende braamstruik ontworstelt. Het zijn de krommingen van Burne-Jones' braamstruiken die bijna letterlijk terugkeren in de manier waarop de visuele darmen uit Berts schilderijen bulken.
***
Bert noemt zelf het Isenheim-retabel als een belangrijke invloed op zijn werk. Maar ook in dit werk wordt de natuur al opgevoerd als een gistende onderwereld van misvormde weke dieren, gemuteerde plantengroei en gebroken lichamen. Het is een kleine stap van het landschap van Grünewalds altaarstuk naar de als een koraal gedecoreerde onderwereld van Jean Delvilles Les trésors de Satan (1895). Bert kweekt dezelfde kleuren en motieven als Delville, aangevuld met verfpartijen die zich als druipende orchideeën in de keel wringen. Hij creëert werken die letterlijk uit het doek naar voor lijken te bloeien, alsof hij experimenteert met schimmels en biologische preparaten. Deze benauwde wereld heeft zich geleidelijk ontwikkeld uit een bijna bacterieel ogende reeks Clouds (2008) waarvan de buiken openbarstten en de darmen kwamen bloot te liggen. Op Level (2009), een doek waar de slingerende wormen zich met verrukkelijke elegantie bewegen, groeit een zwam die in eerste instantie doet denken aan de opengeplooide vagina waarin Odilon Redon La Naissance de Vénus (1912) laat gebeuren, maar die bij nader inzien een citaat is van de duif in Gru.newalds retabel. Schimmel, vagina of heilige geest: in Berts werk worden ze opgenomen in een organische ars combinatoria van kleur en vorm. In dit oeuvre groeit een verleidelijke flora met een fataal parfum van muskus en viooltjes. Maar het organische is slechts één kant van Berts wereld. De manier waarop de woekerende vormen op het doek zijn aangebracht, roept sterke associaties op met de gelikte agressiviteit van een digitale fantasiewereld. De breed uitgesmeerde darmen, onnatuurlijke landschappen en fantastische kleuren lijken zo weggeplukt uit het universum van een computerspel of de decors van een groots opgezette science fiction-film. Het is de wereld van H.R. Giger en Alien (Ridley Scott, 1979), maar dan zonder metalen harnas. Het is een wereld waarin alle organismen muterende tentakels hebben en aardwormen de bodem omploegen. In die zin lijken Berts doeken bijna een programmatische herbevestiging van de hand van de schilder over de hegemonie van de technologie. De kunstenaar heeft immers geen computers nodig om een dergelijke parallelle wereld te creëren. Die virtuositeit is zichtbaar in de twee versies van The Painter (M.E.) (2009), dat een eerbetoon is aan Max Ernst. Door twee varianten van hetzelfde werk te maken, benadrukt Bert immers dat zijn hand de materie van de verf controleert. Hoe wild en spontaan Berts doeken er ook uitzien, in realiteit zijn het doorwrochte creaties die door de kunstenaar worden bepaald en die motieven bevatten die naar believen kunnen worden hernomen. Het toeval speelt hier nog amper een rol, en wanneer het wel optreedt, is het een paradoxaal en gestuurd toeval.
***
Het werk van Bert Frings vraagt van de toeschouwer een daad van overgave. Zoals de in een lijkwade gewikkelde figuur op weg naar Böcklins Toteninsel (1880) moeten we bereid zijn ons te laten meevoeren naar een terra incognita waar enkel Bert de genetische code van kent. Die wereld is een chaotisch universum waar alles terugvalt in de primaire oersoep van Moeder Natuur. Het is een wereld waarin de mooiste bloemen ook de giftigste zijn en waar planten zich voeden met vlees. Maar het is in eerste instantie een visuele wereld. Deze doeken eisen de aandacht op. Ze vullen een ruimte en stromen erin over, net zoals schimmels zich niet storen aan de grens tussen natuur en cultuur, maar alles om zich heen overwoekeren. De doeken zwelgen in een gulzige rijpheid die zich als een muur voor ons opwerpt. Men moet zich erdoor laten overmeesteren en zich laten meeslepen in een constant heen en weer tussen aantrekken en afstoten. Berts doeken bieden ons een panoramisch uitzicht op een post-nucleaire wereld gezien door een met algen overwoekerde patrijspoort. Het is een wereld tussen droom en giftigheid, verleidelijk als een femme fatale. Het is een erotische indigestie die men onherroepelijk opnieuw wil beleven. Het is, zoals alle volmaakte illusies, een verslavende begoocheling.
***